“Dit is er met mij gebeurd” Greta Thunberg vertelt over haar dagen in Israëlische gevangenschap
Ik weet niet precies hoeveel tijd er is verstreken sinds ik werd opgepakt, maar de vijf dagen in Israëlische gevangenschap hebben zich in mijn geheugen gebrand. Wat begon als een vreedzame missie naar Gaza, veranderde in iets dat ik nog steeds moeilijk kan bevatten.
We voeren op open zee toen de Israëlische marine onze boten omsingelde. We werden geboeid, geschreeuw galmde over het dek, en ik werd samen met tientallen anderen in vrachtwagens afgevoerd naar de woestijngevangenis Ketziot. Daar begon de nachtmerrie pas echt.
Toen ik werd binnengebracht, namen ze al mijn spullen af. Mijn kleine kikkerhoedje – dat ik bijna overal mee naartoe neem – werd uit mijn handen gerukt. In mijn koffer zaten spandoeken, buttons en een Palestijnse sjaal. Ik zag hoe ze ze met een mes in stukken sneden. “Zo’n spullen horen hier niet thuis”, zei een van hen lachend.
Ze dwongen me in een hoek te gaan staan, met mijn gezicht naar de muur. Iemand gooide een Israëlische vlag over mijn schouders en riep dat ik me moest schamen. Iedere keer als de vlag mijn gezicht raakte, schopten ze tegen mijn benen. Soms lachten ze terwijl ze dat deden. Ik hoorde een van de bewakers zeggen dat we “naar de gaskamers” gestuurd moesten worden. Ik wist niet eens hoe ik moest reageren. Ik voelde vooral angst – en ongeloof dat dit in onze tijd nog kon gebeuren.
De dagen daarna brachten ze me van de ene kamer naar de andere. Ik kreeg nauwelijks water; het was heet, er zaten insecten overal. Ik smeekte om mijn medicijnen, maar die werden weggegooid. Op een moment werd ik vastgebonden aan een stoel, terwijl een groepje bewakers selfies maakte, alsof ik een soort trofee was.
’s Nachts probeerde ik te slapen, maar elke keer werd ik wakker van geschreeuw of de klappen tegen deuren. Soms hoorde ik anderen huilen. Je verliest daar het besef van tijd, van wie je bent. Je bent alleen nog een lichaam dat probeert te overleven.
Op de derde dag kwam er een man binnen, iemand van wie ik later hoorde dat het minister Ben Gvir was. Hij keek me strak aan en zei dat ik als terrorist zou worden behandeld, dat ik Joodse kinderen wilde doden. Ik voelde woede en verdriet tegelijk – ik heb mijn leven gewijd aan vrede, en toch sta ik hier, vastgebonden, vernederd.
Toen ze me uiteindelijk vrijlieten, na vijf dagen, kreeg ik mijn spullen terug. Mijn koffer was beklad met woorden die ik hier niet wil herhalen. Op de zijkant hadden ze met stift een Israëlische vlag getekend.
Ik wist dat ik dit verhaal moest vertellen, niet omdat ik bijzonder ben, maar omdat duizenden anderen geen stem krijgen. Als dit met mij kon gebeuren – met camera’s in de buurt, met journalisten die mijn naam kennen – wat gebeurt er dan met al die mensen zonder aandacht, zonder bescherming?
Ik wil dat mensen begrijpen: dit gaat niet alleen over mij. Dit gaat over een systeem dat mensen breekt omdat ze durven te spreken. En ik zal blijven spreken.
